Staatstoezicht op de Mijnen?

Het falen van de oudste toezichthouder van Nederland, Staatstoezicht op de Mijnen, legt de vinger op een structureel probleem: het overheidstoezicht op het naleven van de regels in marktsectoren schiet tekort. We hebben de afgelopen jaren veel voorbeelden van falend overheidstoezicht gezien: in de financiele sectoren, in de woningcorporatiesector, in de sector van het hoger onderwijs, bij de petrochemie (Chemiepack), bij de NZA (interne problemen), in de vleeshandel (paardenvlees).

Maar het volledig verzaken van de toezichtrol door Staatstoezicht op de Mijnen slaat alles. De Mijnwet van 1810 is de oudste Nederlandse wet. Het Staatstoezicht op de Mijnen werd in hetzelfde jaar opgericht. Staatstoezicht op de Mijnen houdt onafhankelijk toezicht op de mijnbouw en het transport van gas, zodanig dat het op een maatschappelijk verantwoorde wijze wordt uitgevoerd.

Enkele feiten: In 1972 blijkt uit onderzoek van de NAM dat Groningen tot maximaal 1 meter verzakt in 2050 (de Volkskrant, 18 feb.). In december 1986 is er een aardbeving met de kracht van 3.0 (schaal van Richter) in Assen. Sindsdien zijn er 1000 aardbevingen in het noorden geregistreerd.

In 2002 werd de stokoude wetgeving vernieuwd en gebundeld in de nieuwe Mijnbouwwet en het Mijnbouwbesluit met uitvoeringsbepalingen. De nieuwe mijnbouwwet verplicht de concessiehouder een winningsplan op te stellen met een kaart van de te verwachten bodemdaling en deze bodembeweging ook te meten, op een zorgvuldige en betrouwbare wijze en hierover te rapporteren. Het Staatstoezicht op de Mijnen heeft als toezichthouder de taak ervoor te zorgen dat dit ook gebeurd.

Zes jaar later, in 2008, stelt de Technische commissie bodembeweging (adviesorgaan van de minister van EZ, art. 35 Mijnbouwwet) dat er ‘Betere meetnetten voor bodemdaling nodig zijn’.

Het Staatstoezicht op de Mijnen stelt in het Jaarverslag 2009 vast dat (citaat) ‘de veiligheid van de delfstofwinning in Nederland op een hoog niveau ligt. De hoge veiligheidsstandaard is te danken aan een goede risicobeheersing. De oliemaatschappijen hebben voor al hun activiteiten de risico’s in kaart gebracht en maatregelen genomen om die risico’s in te dammen. Daarbij werken ze volgens het principe van continue verbetering. Voortdurend kijken ze of een bepaald proces nog veiliger kan worden ingericht. Staatstoezicht op de Mijnen inspecteert of de oliemaatschappijen hun zorgsystemen op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu goed op orde hebben. Die inspectie vindt zowel op afstand als op locatie plaats.’

In het Jaarverslag 2011 spreekt het Staatstoezicht op de Mijnen van (citaat) ‘de hoge veiligheidsstandaard in de delfstoffenindustrie. Er zijn geen dodelijke ongevallen.’  De Inspecteur-Generaal der Mijnen zegt daarbij dat hij het als toezichthouder op de gaswinning (citaat) ‘de moeite waard vind om de achtergrond van de concentratie van aardbevingen serieus te laten onderzoeken’.

In 2013 stelt de Inspecteur-Generaal naar aanleiding van de zware Huizinge beving van 2012 dat het onderzoek naar de toedracht (citaat) ‘uiteraard in eerste instantie de verantwoordelijkheid van oliemaatschappijen zelf is. Daar hebben wij ook constant bij hen op aangedrongen. Maar toen dat uitbleef hebben wij het zelf opgepakt.’

Dus tien jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe Mijnbouwwet (en meer dan 40 jaar na het NAM-rapport) begon het Staatstoezicht op de Mijnen ten langen leste met de uitvoering van haar primaire taak: toezicht en handhaving van de regels met betrekking tot de gaswinning.

Kiezen tussen overheid en markt - Gijs van Loef

Tot zover deze column.

Twee jaar geleden heb ik een boek geschreven over marktwerking in het publieke domein, waarvan dit een treffend voorbeeld is. In dit boek, ‘Kiezen tussen overheid en markt’, maak ik onderscheid tussen vier principes van overheidshandelen, vier soorten publieke waarden, die door de overheid gewaarborgd moeten worden. Alle technische infrastructuren die het algemeen maatschappelijk belang dienen, zoals energiesystemen waaronder de gaswinning in de Nederlandse bodem, moeten voldoen aan de eisen van collectieve veiligheid en zekerheid. Dat wil zeggen dat deze systemen operationeel veilig moeten zijn, de volksgezondheid mag niet bedreigd worden en operationeel gegarandeerd, de systemen mogen niet haperen of uitvallen. Ik noem dit het principe van ‘collectieve veiligheid en zekerheid’ van technische infrastructuren met een algemene maatschappelijke functie (zoals de drinkwater- en energievoorziening, het openbaar vervoer, essentiele communicatienetwerken).

Bij de gaswinning in Groningse bodem heeft de rijksoverheid dit principe consequent verloochend: het ging alleen om de zekerheid van de gaswinning, veiligheid speelde geen enkele rol, met uitzondering van de veiligheid van de mensen die direct bij de uitvoering van de gaswinning zelf betrokken zijn.

Column staat ook op:
http://www.z24.nl/columnisten/gijs-van-loef-zwak-toezicht-gaswinning-groningen-exemplarisch-voor-falen-overheid-540161

column op Joop.nl

Kabinet snijdt en bezuinigt, maar overheid wordt niet goedkoper

De politiek is de baas van de overheid. Het was vroeger overzichtelijk: De overheid moet kleiner, vond de VVD en ze vindt het nog steeds. De overheid moet groter, vond de PvdA. De overheid moet anders, vond het CDA. En de overheid moet democratischer, vond D66.

De overheid moet kleiner en moet minder geld kosten is de inzet van de VVD in dit kabinet. Wat de PvdA vindt, dat is gissen. Het kabinetsbeleid is duidelijk. Wat is de sociaaldemocratische visie op de overheid? Wat zien we daarvan terug in het kabinetsbeleid? Het zijn – voor iedereen – onbeantwoorde vragen.

Het CDA wil de overheid nog steeds anders, met dat zelfbesturend maatschappelijk middenveld en zo. Wat vindt D66 eigenlijk, de partij van de bestuurlijke vernieuwing? Het lijkt erop dat D66 vindt dat het met de overheid wel de goede kant opgaat. Je gedoogt tenslotte.

Het kabinet vindt dat de overheid kleiner moet, dat ze geen geluksmachine is en handelt daar ook naar.

Hoe wordt de overheid kleiner?

De overheid bezuinigt en decentraliseert taken naar gemeenten. Daar is te weinig tijd voor, maar toch doet ze het. Er vallen wel ontslagen in de uitvoering. Maar de winst moet uiteraard komen uit minder landelijke bureaucratie, … gebeurt dat ook?

De overheid privatiseert omdat ze denkt dat taken met een publiek tintje beter door de markt kunnen worden gedaan. Dit is goedkoper is de gedachte, door de kracht van concurrentie. Die privatiseringen zijn inmiddels grotendeels gerealiseerd. Er zijn natuurlijk wel hier en daar wat ontslagen geweest, waar gehakt wordt vallen immers spaanders.

Maar is het nu allemaal goedkoper geworden – voor de burger (kiezer, consument)? Ik denk aan die ICT, de Fyra, de volkshuisvesting en kom met spijt tot de conclusie: Nee, dat niet, het wordt eerder duurder.

De zorg (ook overheid) wordt ook alleen maar duurder, maar daar heeft de politiek vanaf 2005 ook marktwerking op losgelaten. De kosten zijn sindsdien weliswaar blijven stijgen, maar nu wordt het toch echt nog maar een beetje meer. Om er nog een miljardje (1% van de kosten) extra uit te persen wordt geen machtsmiddel onbeproefd gelaten. Dat doen we desnoods zonder het staatsrecht, vind het kabinet.

Ik maak de balans op. De overheid wordt niet kleiner en ook niet goedkoper, zoveel is zeker. De VVD scoort alleen met retoriek over een kleinere overheid, die terugslaat op de PvdA . De overheid wordt wel ingewikkelder. Weifelend vraag ik me af, wordt ze ook democratischer? Nee, dat zeker niet. D66 vind het eigenlijk allemaal wel goed. Gaat goed zo met de overheid! En nu vooruit! Misschien is het CDA stilletjes (ook) best tevreden.

Deze column staat ook op Z24.nl
De column is als een oproep aan de partijleider van D66 geplaatst op JOOP.nl.

Zie:
Pechtold, zeg er wat van!
Kabinet snijdt en bezuinigt, maar overheid wordt niet goedkoper

De digitale puinhoop bij de overheid

De ICT-organisatie van het Rijk rammelt aan alle kanten. Het kost miljarden euro’s en onze privacy gaat er aan. Bedankt, overheid.Kiezen tussen overheid en markt - Gijs van Loef

De onderzoekscommissie ICT van de Tweede Kamer presenteert vandaag haar eindrapport over ICT-projecten bij de Rijksoverheid. Conclusie: De ICT-organisatie van het Rijk is chaotisch. Dat weten we al jaren.
In 2007 en 2008 concludeerde de Algemene Rekenkamer al dat ICT-projecten van de overheid te complex en te ambitieus zijn. De projecten blijken veel duurder dan gedacht, vragen meer tijd dan gepland en leveren niet op wat ervan verwacht wordt. Bij deze te complexe projecten is er geen balans tussen ambitie, beschikbare mensen, middelen en tijd. De informatie ontbreekt om deze projecten te kunnen plannen en calculeren. De Algemene Rekenkamer becijferde dat er door de overheid jaarlijks circa 4 tot 5 miljard euro verspild wordt aan mislukte ICT-projecten. Heeft de overheid zichzelf na deze spijkerharde kritiek van de Algemene Rekenkamer verbeterd? Nee.

Digitale echtheidscertificaten
De voorbeelden van recentelijk ICT-falen zijn legio. De overheid verstrekt tegenwoordig digitale ‘echtheidscertificaten’, die de online gebruiker de zekerheid geeft dat een overheidwebsite ook daadwerkelijk de overheidwebsite is die de site zegt te zijn. Met andere woorden: de online gebruiker krijgt de zekerheid dat de overheidwebsite niet gekraakt is en dat er geen criminele organisatie achter verscholen zit die vertrouwelijke digitale gegevens verzamelt voor haar criminele praktijken. De verstrekking van deze digitale echtheidscertificaten heeft de Rijksoverheid uitbesteed aan een commercieel bedrijf, DigiNotar. Deze instantie bleek een gammele, onbeveiligde dienstverlener te zijn. Inloggen met behulp van DigiD is ook niet veilig. De OV-chipkaart kan gekraakt worden door elke slimme student. Hypermoderne verkeersinfrastructuur, zoals tunnels en viaducten, ligt regelmatig plat omdat er computerstoringen zijn.

Digitale puinhoop
En dan zijn er de talloze mislukte ICT-bouwsels bij de Belastingdienst, bij het UWV, bij de waterschappen, bij grote gemeenten die denken dat ze eigen computersystemen kunnen bouwen. De belastingdienst heeft in het tweede kwartaal 2012 opnieuw massaal digitaal verkeerde aanslagen verstuurd. Het is onvoorstelbaar maar waar: het is nog steeds een digitale puinhoop bij de overheid, terwijl de afhankelijkheid alleen maar groter wordt. Terwijl burgers en bedrijven door de overheid steeds meer gedwongen worden om digitaal te communiceren met de overheid, blijft het een janboel bij diezelfde overheid die nalaat om deze taaksystemen goed te organiseren. De kennis in eigen huis ontbreekt, de wil eveneens.

Niemand wil het oplossen
Hoe is het mogelijk? De reden is, het is bekend, dat niemand er belang bij heeft om dit falen aan te pakken. Politici en bestuurders niet, want ICT is niet sexy. Ze weten überhaupt van toeten noch blazen. Ambtenaren niet, want bestuurders zitten niet te wachten op slecht nieuws over mislukte planningen, falende projecten, krakkemikkig onderhoud, veiligheidslekken en kostenoverschrijdingen. Bestuurlijke rapportages moeten dus worden opgefleurd en jaarlijkse budgetten veiliggesteld. En ook externe consultant hebben geen belang bij het aanpakken van het probleem, want dit is juist hun profijtelijke business.

‘Functionele grootheidswaanzin’
In 2012 concludeerde de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat de ICT-veiligheid bij de overheid sterk moet verbeteren, maar dat een complicerende factor is dat de overheid zelf weinig expertise in huis heeft, waardoor ze sterk leunt op externe experts. ICT wordt door politieke bestuurders en topambtenaren als ‘bedrijfsvoering’ gezien net als de administratie en het personeelsbeleid, zeg maar ‘de achterkant van de organisatie’. En dat vindt men ingewikkeld en niet interessant. Politici realiseren zich niet dat hun bedenksels -‘functionele grootheidswaan’ noemt René Veldwijk dit – en almaar veranderende eisen het onmogelijk maken om betrouwbare systemen te kunnen bouwen die al die bedenksels ook kunnen uitvoeren. Zie de Belastingdienst waar enorm bezuinigd is op formatie en expertise.

Maar het gaat niet alleen om de jaarlijkse verspilling van miljarden euro’s. Het gaat ook om de veiligheid van ICT-systemen en de bescherming van uw en mijn persoonlijke gegevens. Er zit rot in de fundamenten van het gebouw van overheidsinformatie.

Deze column staat ook op JOOP.nl De digitale puinhoop bij de overheid
Column staat in verkorte vorm ook op de ondernemers-website Z24.nl Politiek zelf schuldig aan ICT-puinhoop

Het PAROOL: ‘De markt is niet de oplossing voor alle zaken’

Het neoliberalisme heeft het publieke domein veroverd. Zonder principieel politiek debat over wat publieke taken zijn en wat de markt kan doen. Er rest geen andere conclusie. In 2012 publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het rapport met de veelzeggende titel  ‘Publieke zaken in de marktsamenleving’. Is het begrip ‘marktsamenleving’ niet een andere duiding van het begrip ‘neoliberalisme’, maar dan in zijn concrete verschijningsvorm? Welke publieke zaken zijn er zoal en waar komen we het neoliberalisme tegen? Ik kijk vanuit vijf verschillende invalshoeken.[1]

Laten we beginnen met de uitvoering van (publieke) taken: We kennen de publieke sector van de nutsvoorzieningen, met vraag en aanbod, waar overheid monopolies gedeeltelijk zijn geprivatiseerd (de spoorwegen, de energievoorziening, telecom). We kennen ook de van oudsher levensbeschouwelijk gefundeerde maatschappelijke sectoren van het onderwijs, de langdurige zorg (care) en de sociale huisvesting, waar ook vraag en aanbod bestaan. Het zijn twee heel verschillende typen markten in het publieke domein. (De genezingsgerichte gezondheidszorg (cure) heeft altijd een gedeeltelijk marktkarakter gehad en laat ik daarom in deze beschouwing over het neoliberalisme buiten beschouwing)

De kritiek van de Eerste Kamer (parlementaire enquête in 2012) op de verkoop van de PTT, de opsplitsing van de spoorwegen en de gedeeltelijke uitverkoop van de elektriciteitsbedrijven loog er niet om. Over de gevolgen van de privatiseringen van deze overheidsmonopolies voor de samenleving werd nauwelijks nagedacht. De burger werd vooral beschouwd als consument. De parlementaire onderzoekscommissie concludeerde dat er weinig is geleerd van eerdere ervaringen. De privatiseringen pasten binnen een tijdsgewricht waarin een blind geloof bestond dat de markt uitvoerende taken beter èn goedkoper zou kunnen doen dan de overheid (Reagonomics, Thatcherism). Beide claims, de markt doet het beter en de markt doet het goedkoper, zijn echter nooit onderbouwd. In 2013 concludeerde een werkgroep van de TU Delft echter wel dat het nederlandse spoor na de verzelfstandiging en opsplitsing minder efficiënt is geworden en dat de productiviteit van het spoor is gedaald.

In het onderwijs, de langdurige zorg en de sociale volkshuisvesting ligt de zaak anders. Ook in deze voorheen not-for-profit sectoren is het marktdenken diep doorgedrongen. Hier worden echter geen staatsmonopolies afgebroken, maar is sprake van een erosie van de levensbeschouwelijke grondslag. Door de ontzuiling en de bezuinigingen op budgetten zijn deze dienstverlenende sectoren steeds meer gedwongen te denken in termen van omzet, productie en klanten. De maatschappelijke commotie over zichzelf verrijkende publieke bestuurders zit vooral hier.

De burger wordt consument en gaat steeds meer betalen

We zien een trend waarbij de burger als gebruiker (consument) van (voormalige publieke) diensten steeds meer gaat betalen. Het patroon is dat de exploitant – die in veel gevallen nog steeds monopolist is, of oligopolist – toestemming krijgt van de overheid (dat kan ook de toezichthouder zijn) om het basistarief te verhogen: het prijskaartje van de NS, de maximaal toegestane huurverhoging, de prijs van de postzegel, de eigen bijdrage in de zorg.

Beleidsmakers geloven sterk in het marktmechanisme als instrument om ongewenste maatschappelijke effecten van economische processen te bestrijden. Het marktmechanisme wordt als beleidstool ingezet bij de bestrijding van milieuvraagstukken, zoals bij de CO2-uitstoot (emissiehandel), de filebestrijding (spitsvrij) en de recycling van verpakkingsmaterialen (statiegeld). Maar waar het in het nederlandse beleidsdenken juist aan ontbreekt is de wil om bij bedrijven innovatieve veranderingen af te dwingen door middel van ‘dynamische regulering’. In ons economisch denken bestaat een afkeer tegen staatsinterventies en gedwongen regulering. De markt moet het ‘regelen’, het geloof in de invisible hand is kennelijk groot. Het Planbureau van de Leefomgeving wijst al jaren op het probleem dat Nederland in Europa qua verduurzaming achterloopt.

Het beheersen van marktwerking is ook een belangrijk thema van wetgeving. Recent zijn wetten aangenomen als de wet markt en overheid (2012) en de wet normering topinkomens (2013). Over de wet normering topinkomens wordt veel geschreven en heftig debat gevoerd. Begrijpelijk, topbestuurders zijn tastbaar en meningen over personen zijn snel gevormd. Minder bekend is de wet overheid en markt die tot doel heeft het ondernemerschap van overheden zoals gemeenten en provincies te reguleren. De wet bevat ‘gedragsregels voor centrale en decentrale overhe­den en publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen als zij goederen of diensten op de markt willen aanbieden’ (citaat). Let wel: de wetgever legt dus sinds kort het ondernemerschap in het huis van Thorbecke aan banden. Het ondernemerschap is kennelijk diep in de ambtelijke cultuur doorgedrongen!

Het politieke debat over marktwerking is een debat achteraf

Dit brengt ons tot het politieke debat over marktwerking. Het is een ex post debat, de politiek probeert vooral achteraf ongewenste neoliberale effecten te beheersen. In 2012 deed de Eerste Kamer een uniek  parlementair onderzoek naar de privatiseringen van enkele staatsmonopolies. De parlementaire enquête van de Tweede Kamer naar de Fyra zit nu in de onderzoeksfase. Er wordt in de landelijke politiek door de sectorspecialisten dus wel nagedacht over enkele ‘ontsporingen’. En af en toe halen privatiseringen in negatieve zin het nieuws, zoals recent het verbrassen van de eenmalige opbrengsten uit verkoop van nutsdeelnemingen door de gemeente ’s Hertogenbosch.

Het marktdenken is klaarblijkelijk diep in het publieke domein doorgedrongen. Publieke zaken zijn ermee doordrenkt. De markt is de oplossing voor zo’n beetje elk maatschappelijk vraagstuk en iedere maatschappelijke activiteit waar een financiële component aan zit. De idee van een overheid als hoeder van het algemeen belang is compleet uitgehold. Het brede maatschappelijke onbehagen waar de landelijke politiek geen vat op krijgt heeft er natuurlijk alles mee te maken. Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau in 2012 bleek dat 38% negatief en slechts 23% van de Nederlanders positief over de privatisering van staatsbedrijven denkt. Krijgen we de neoliberale geest ooit nog terug in de fles?

14 april 2014

[1] De vijf perspectieven komen overeen met het denkmodel in mijn boek, waarin ik vijf bouwstenen van activiteiten onderken: Willen (politiek), Mogen (wetgeving), Kunnen (middelen en kennis), Denken (beleid) en Doen (uitvoering van taken).
Joop.nl Neoliberalisme is al de keiharde werkelijkheid

Geweldsmonopolie staat? Dan geen eigen bijdrage!

Over het verschil tussen piraten en hooligans (PvdA blokkeert private beveiliging koopvaardij tegen piraterijcoverE.jpeg)

Voor leger en politie geldt: zij hebben het geweldsmonopolie van de staat. Het leger verdedigt de (inter-) nationale landsgrenzen en de marine beveiligd de koopvaardij tegen de piraterij voor de Somalische kust. De politie verdedigt de openbare orde in de openbare ruimte buiten de voetbalstadions.

De politie moet dat helemaal zelf betalen. Er mogen geen kosten worden verhaald, noch op de hooligans, noch op de voetbalverenigingen. Het geweldsmonopolie is van de staat – in dit geval ligt de uitvoering bij de politie – en de staat betaalt. Principieel. En daardoor logisch.

De marine brengt 5000 euro per dag in rekening. Het geweldsmonopolie van de staat is in dit geval niet principieel, want het kost geld. Dat kunnen kleine schepen waar geen 11 mariniers op passen niet betalen. Grote schepen kunnen dat wel betalen. De conclusie is dat het geweldsmonopolie van de staat hier selectief geldt. De groten worden beschermd – tegen betaling-, de kleintjes niet. Niet principieel. Immoreel.

De PvdA beaamt dat de marine het geweldsmonopolie heeft bij de bescherming van de koopvaardij. Maar over de selectieve toepassing (alleen tegen vergoeding van kosten beschikbaar), daar hoor je ze niet over. Niet principieel. Laf.

Het is exemplarisch voor de alomtegenwoordige verwarring in de publieke sector over de vraag wat de overheid moet doen en wat niet en wat onder voorwaarden aan de markt  kan worden overgelaten. Als de markt iets doet waarbij de veiligheid van burgers in het geding is, dan hoort daar altijd stringent toezicht door de staat bij. Als dat te gevaarlijk is, is de bescherming van de veiligheid volledig een overheidstaak, dan geldt het geweldsmonopolie. Dan is er geen markt en dus ook geen rekening aan derden. Principieel.

 

De reders hebben – als de politieke meerderheid zich zo opstelt – het volste gelijk als ze om toestemming voor private protection  vragen. De verenigde naties hebben international rules of engagement opgesteld waaraan private beveiligers moeten voldoen. Wat let onze politici?.

Marktwerking in de publieke sector: How to do it?

In het nieuwe magazine van Speakers Academy breng ik mijn expertise onder de aandacht:Academy Magazine 2014
SpeakMag2014

Marktwerking ondermijnt duurzame economische ontwikkeling

Er is een verband tussen de marktwerking in de publieke sector en het achterblijven van onze economie. Het vrijemarktdenken in de publieke sector heeft de mensen in sociaal-culturele zin in verwarring gebracht, want waar gaat het nu uiteindelijk om? Het publieke belang of de private winst? We weten het met zijn allen niet meer.

Overheid en markt zijn twee fundamenteel verschillende waarde principes. De privatisering van (delen van) vitale technische infrastructuren, zoals de energievoorziening, het openbaar vervoer, post- en telecommunicatienetwerken heeft het vermogen om een krachtig toekomstgericht beleid te voeren uitgehold, omdat met de verkoop van het publieke bezit de controle over deze belangrijke systemen en de bijbehorende kennis is verdwenen.

De marktwerking heeft essentiële zekerheden uitgehold. Ze heeft het vertrouwen in de overheid aangetast. Zowel haar integriteit staat ter discussie: staat de overheid wel voor het publiek belang?, als haar vermogen tot handelen, haar capaciteit: kan de overheid wel de randvoorwaarden scheppen voor de gewenste duurzame economische groei?
In terminologie van het boek: het overheidsprincipe van de collectieve dimensie, de veiligheid en zekerheid van vitale technische infrastructuren, hapert waardoor het overheidsprincipe van de internationale dimensie, de vergroening van de economie, zich niet kan ontwikkelen. Anders gezegd: het type overheid: markt partnership functioneert niet.

Er zijn krachtige, zelfs overtuigende aanwijzingen dat dit ook inderdaad het geval is. Het World Economic Forum constateerde recent wat we eigenlijk al lang weten, namelijk dat Nederland op innovatiegebied achterblijft. Het WEF wijt dit aan gebrek aan samenwerking tussen onderwijs-, onderzoek-, kennisinstellingen en het bedrijfsleven… Een gebrek aan samenwerking. Zou dit misschien komen omdat iedereen in het publieke domein tegelijkertijd ook elkaars concurrent is? De Autoriteit Consument en Markt blokkeert nu het Energieakkoord. Competitie en samenwerking gaan kennelijk moeilijk samen. Maar een krachtig partnership – op basis van afspraken over samenwerking – van overheid en markt is juist nodig om de vergroening van de economie te stimuleren (> Planbureau voor de Leefomgeving). Economische ontwikkeling gaat over het vertrouwen van organisaties dat er een gemeenschappelijke basis voor ontwikkeling is, er moeten zekerheden zijn. Hier wringt de schoen.

Economie gaat natuurlijk (ook) over het vertrouwen van mensen. Maar de mensen hebben volgens het Sociaal Cultureel Planbureau weinig vertrouwen en waardering voor de marktwerking in de publieke sector, zoals de privatisering van staatsbedrijven als de PTT en de spoorwegen.
Het verband is duidelijk.
Nederland blijft zo een ouderwets exportland.

Misschien is er ook een verband tussen de publieke marktwerking en andere sociaal-culturele kenmerken, ons zwak ontwikkelde nationale bewustzijn en onze individuele koopmansgeest. Die hebben ons er in elk geval niet van weerhouden om een partijtje staatsbedrijven van de hand te doen.