Het PAROOL: ‘De markt is niet de oplossing voor alle zaken’

86 views (hernieuwde belangstelling – mei ’26)

Het neoliberalisme heeft het publieke domein veroverd. Zonder principieel politiek debat over wat publieke taken zijn en wat de markt kan doen. Er rest geen andere conclusie. In 2012 publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het rapport met de veelzeggende titel  ‘Publieke zaken in de marktsamenleving’. Is het begrip ‘marktsamenleving’ niet een andere duiding van het begrip ‘neoliberalisme’, maar dan in zijn concrete verschijningsvorm? Welke publieke zaken zijn er zoal en waar komen we het neoliberalisme tegen? Ik kijk vanuit vijf verschillende invalshoeken.[1]

Laten we beginnen met de uitvoering van (publieke) taken: We kennen de publieke sector van de nutsvoorzieningen, met vraag en aanbod, waar overheid monopolies gedeeltelijk zijn geprivatiseerd (de spoorwegen, de energievoorziening, telecom). We kennen ook de van oudsher levensbeschouwelijk gefundeerde maatschappelijke sectoren van het onderwijs, de langdurige zorg (care) en de sociale huisvesting, waar ook vraag en aanbod bestaan. Het zijn twee heel verschillende typen markten in het publieke domein. (De genezingsgerichte gezondheidszorg (cure) heeft altijd een gedeeltelijk marktkarakter gehad en laat ik daarom in deze beschouwing over het neoliberalisme buiten beschouwing)

De kritiek van de Eerste Kamer (parlementaire enquête in 2012) op de verkoop van de PTT, de opsplitsing van de spoorwegen en de gedeeltelijke uitverkoop van de elektriciteitsbedrijven loog er niet om. Over de gevolgen van de privatiseringen van deze overheidsmonopolies voor de samenleving werd nauwelijks nagedacht. De burger werd vooral beschouwd als consument. De parlementaire onderzoekscommissie concludeerde dat er weinig is geleerd van eerdere ervaringen. De privatiseringen pasten binnen een tijdsgewricht waarin een blind geloof bestond dat de markt uitvoerende taken beter èn goedkoper zou kunnen doen dan de overheid (Reagonomics, Thatcherism). Beide claims, de markt doet het beter en de markt doet het goedkoper, zijn echter nooit onderbouwd. In 2013 concludeerde een werkgroep van de TU Delft echter wel dat het nederlandse spoor na de verzelfstandiging en opsplitsing minder efficiënt is geworden en dat de productiviteit van het spoor is gedaald.

In het onderwijs, de langdurige zorg en de sociale volkshuisvesting ligt de zaak anders. Ook in deze voorheen not-for-profit sectoren is het marktdenken diep doorgedrongen. Hier worden echter geen staatsmonopolies afgebroken, maar is sprake van een erosie van de levensbeschouwelijke grondslag. Door de ontzuiling en de bezuinigingen op budgetten zijn deze dienstverlenende sectoren steeds meer gedwongen te denken in termen van omzet, productie en klanten. De maatschappelijke commotie over zichzelf verrijkende publieke bestuurders zit vooral hier.

De burger wordt consument en gaat steeds meer betalen

We zien een trend waarbij de burger als gebruiker (consument) van (voormalige publieke) diensten steeds meer gaat betalen. Het patroon is dat de exploitant – die in veel gevallen nog steeds monopolist is, of oligopolist – toestemming krijgt van de overheid (dat kan ook de toezichthouder zijn) om het basistarief te verhogen: het prijskaartje van de NS, de maximaal toegestane huurverhoging, de prijs van de postzegel, de eigen bijdrage in de zorg.

Beleidsmakers geloven sterk in het marktmechanisme als instrument om ongewenste maatschappelijke effecten van economische processen te bestrijden. Het marktmechanisme wordt als beleidstool ingezet bij de bestrijding van milieuvraagstukken, zoals bij de CO2-uitstoot (emissiehandel), de filebestrijding (spitsvrij) en de recycling van verpakkingsmaterialen (statiegeld). Maar waar het in het nederlandse beleidsdenken juist aan ontbreekt is de wil om bij bedrijven innovatieve veranderingen af te dwingen door middel van ‘dynamische regulering’. In ons economisch denken bestaat een afkeer tegen staatsinterventies en gedwongen regulering. De markt moet het ‘regelen’, het geloof in de invisible hand is kennelijk groot. Het Planbureau van de Leefomgeving wijst al jaren op het probleem dat Nederland in Europa qua verduurzaming achterloopt.

Het beheersen van marktwerking is ook een belangrijk thema van wetgeving. Recent zijn wetten aangenomen als de wet markt en overheid (2012) en de wet normering topinkomens (2013). Over de wet normering topinkomens wordt veel geschreven en heftig debat gevoerd. Begrijpelijk, topbestuurders zijn tastbaar en meningen over personen zijn snel gevormd. Minder bekend is de wet overheid en markt die tot doel heeft het ondernemerschap van overheden zoals gemeenten en provincies te reguleren. De wet bevat ‘gedragsregels voor centrale en decentrale overhe­den en publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen als zij goederen of diensten op de markt willen aanbieden’ (citaat). Let wel: de wetgever legt dus sinds kort het ondernemerschap in het huis van Thorbecke aan banden. Het ondernemerschap is kennelijk diep in de ambtelijke cultuur doorgedrongen!

Het politieke debat over marktwerking is een debat achteraf

Dit brengt ons tot het politieke debat over marktwerking. Het is een ex post debat, de politiek probeert vooral achteraf ongewenste neoliberale effecten te beheersen. In 2012 deed de Eerste Kamer een uniek  parlementair onderzoek naar de privatiseringen van enkele staatsmonopolies. De parlementaire enquête van de Tweede Kamer naar de Fyra zit nu in de onderzoeksfase. Er wordt in de landelijke politiek door de sectorspecialisten dus wel nagedacht over enkele ‘ontsporingen’. En af en toe halen privatiseringen in negatieve zin het nieuws, zoals recent het verbrassen van de eenmalige opbrengsten uit verkoop van nutsdeelnemingen door de gemeente ’s Hertogenbosch.

Het marktdenken is klaarblijkelijk diep in het publieke domein doorgedrongen. Publieke zaken zijn ermee doordrenkt. De markt is de oplossing voor zo’n beetje elk maatschappelijk vraagstuk en iedere maatschappelijke activiteit waar een financiële component aan zit. De idee van een overheid als hoeder van het algemeen belang is compleet uitgehold. Het brede maatschappelijke onbehagen waar de landelijke politiek geen vat op krijgt heeft er natuurlijk alles mee te maken. Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau in 2012 bleek dat 38% negatief en slechts 23% van de Nederlanders positief over de privatisering van staatsbedrijven denkt. Krijgen we de neoliberale geest ooit nog terug in de fles?

14 april 2014

[1] De vijf perspectieven komen overeen met het denkmodel in mijn boek, waarin ik vijf bouwstenen van activiteiten onderken: Willen (politiek), Mogen (wetgeving), Kunnen (middelen en kennis), Denken (beleid) en Doen (uitvoering van taken).
Joop.nl Neoliberalisme is al de keiharde werkelijkheid


Recente publicatie

Vrij varen (commentaar op de Volkskrant over monopolie veerdienst Terschelling)

De Volkskrant stelt vandaag in haar commentaar dat de staatssecretaris de vrije markt tegenwerkt door de concurrentie van Doeksen af te kopen. Met een concessie van 15 jaar voor Doeksens’ alleenheerschappij op de veerdienst naar Terschelling zouden zowel de belastingbetaler als de reizende eilanders verliezers zijn.

De krant mist de pointe als ze vreest voor de gevolgen voor de klantvriendelijkheid van de dienstverlening bij weer 15 jaar monopolie. Elk monopolie behoeft handhaving en toezicht door de staat. Deze dure les is men bij de rijksoverheid (en de landelijke politiek!) vergeten. Er kunnen lessen worden getrokken uit de privatiseringen  van de rijksoverheid: er werd door het ministerie niet goed nagedacht over de vraag onder welke voorwaarden privatiseringen mogelijk zijn en de noodzakelijke kennis die de overheid moet hebben om een monopolist in het gareel te kunnen houden was niet aanwezig, of verdween. De staat faalde dus omdat het haar aan essentiële expertise ontbrak. (zie: parlementair onder zoek eerste kamer en mijn boek over marktwerking in de publieke sector). Dit gebrek aan kennis bij het ministerie speelt ook hier.

Het afkopen van EVT en potentiele concurrenten kun je zien als  de kostbare afronding van jarenlang gestuntel van opeenvolgende ministeries (EZ ,I&M). Om voortaan niet weer in oude fouten te vervallen moet het ministerie intern kennis opbouwen en kwaliteitseisen stellen bij de concessieverlening (cruciale eisen zijn: een maximum tariefstelling, de continuiteit van dienstverlening (zekerheid) en gewaarborgde veiligheid) en zorgen voor deugdelijk staatstoezicht. De uiterste sanctie bij elke concessie is uiteraard het intrekken van die concessie.coverE.jpeg

opinie de Volkskrant: “ZZP’ers in ziekenhuis worden slecht behandeld”

deVolkskrant opinie
Zzp’ers in ziekenhuis worden slecht behandeld

Vrije beroepen gezondheidszorg: meten met twee maten
In de Volkskrant van 26 feb. pleiten twee gynaecologen er voor om medische specialisten in loondienst te nemen voor een salaris van 2 tot 2,5 ton bij een 40-urige werkweek plus een bonus/malus-regeling van 25%. Medisch specialisten hebben zich goed georganiseerd. Het is een tamelijk riant inkomen voor een werknemer, me dunkt.  Het argument van de gynaecologen is dat het vrije specialistenberoep voor de gezondheidszorg kostenverhogend werkt, door de beloning van produktie (het ‘verrichtingensysteem’) en het ontbreken van een rem op kostbaar onderzoek.

Tegelijkertijd wordt tienduizenden ZZP’ers in de zorg door de Belastingdienst hun zelfstandigheid ontnomen door het intrekken van hun VAR-WUO. De Belastingdienst vindt dat deze ZZP’ers eigenlijk in loondienst zijn van zorgbemiddelingsbureau ’s.  Een heel ander argument, hier gaat het om de arbeidsrelatie.  ZZP’ers zijn veel kwetsbaarder dan de goed georganiseerde beroepsgroep van de medisch specialisten.  Het is wel vreemd: als de Belastingdienst bezig is met loondienstverbanden, waarom pakt de Belastingdienst dan niet tegelijkertijd de medisch specialisten aan, die meestal slechts één opdrachtgever hebben, het ziekenhuis,  en een eenduidige arbeidsrelatie?

Je kunt het ook anders zien.

De hoogopgeleide medisch specialist, wiens peperdure opleiding wordt betaald door de overheid, creëert schaarste voor zichzelf door beperking van het aantal opleidingsplaatsen en bereikt daarmee voor zichzelf in de praktijk een bijna onaantastbare machtspositie. Hij heeft zich genesteld in de belangrijke lobbycircuits en belangenorganisaties en kan zich als vrij gevestigde zorgondernemer in de lengte van jaren duur verkopen, de vraag naar gespecialiseerde zorg is immers in beginsel onbegrensd.

De relatief laagopgeleide (HBO-) zorgverlener, wiens relatief goedkope opleiding ook wordt betaald door de overheid, kan geen schaarste voor de eigen beroepsgroep creëren. Hij of zij opereert in een echte, grillige markt waar de tarieven nog minder dan 1/10e bedragen van de tarieven van de medisch specialist. En die tarieven staan zwaar onder druk. Hij heeft nauwelijks een positie in de polder en hij is voor zijn werk afhankelijk van intermediaire  bemiddelingsbureau’s om aan klanten te komen.

Het grote verschil zit in de macht die de twee beroepsgroepen hebben. Medisch specialisten zijn machtig en hebben grote invloed op de gereguleerde zorgverzekeringswet-markt en houden potentiele concurrenten èn de fiscus buiten de poort. ZorgZZP’ers zijn onmachtig en ongeorganiseerd en zijn overgeleverd aan de grillen van de (steeds meer gemeentelijke) zorgmarkt en worden door de fiscus geringeloord.

Een schril contrast. En bijzonder onrechtvaardig!

——————————————————————————————————————————————————————————————-

Lees hier het hoofdstuk over marktwerking in de gezondheidszorg: Hoofdstuk Gezondheidszorg

Marktwerking in de publieke sector: How to do it?

In het nieuwe magazine van Speakers Academy breng ik mijn expertise onder de aandacht:Academy Magazine 2014
SpeakMag2014

Regiocongres D66 Utrecht

Hier een sfeerimpressie van het regiocongres van en in Utrecht.
Mijn “spreektijd” is van 3:29 t/m 3:49 en van 5:11 t/m 5:43.

Marktwerking ondermijnt duurzame economische ontwikkeling

Er is een verband tussen de marktwerking in de publieke sector en het achterblijven van onze economie. Het vrijemarktdenken in de publieke sector heeft de mensen in sociaal-culturele zin in verwarring gebracht, want waar gaat het nu uiteindelijk om? Het publieke belang of de private winst? We weten het met zijn allen niet meer.

Overheid en markt zijn twee fundamenteel verschillende waarde principes. De privatisering van (delen van) vitale technische infrastructuren, zoals de energievoorziening, het openbaar vervoer, post- en telecommunicatienetwerken heeft het vermogen om een krachtig toekomstgericht beleid te voeren uitgehold, omdat met de verkoop van het publieke bezit de controle over deze belangrijke systemen en de bijbehorende kennis is verdwenen.

De marktwerking heeft essentiële zekerheden uitgehold. Ze heeft het vertrouwen in de overheid aangetast. Zowel haar integriteit staat ter discussie: staat de overheid wel voor het publiek belang?, als haar vermogen tot handelen, haar capaciteit: kan de overheid wel de randvoorwaarden scheppen voor de gewenste duurzame economische groei?
In terminologie van het boek: het overheidsprincipe van de collectieve dimensie, de veiligheid en zekerheid van vitale technische infrastructuren, hapert waardoor het overheidsprincipe van de internationale dimensie, de vergroening van de economie, zich niet kan ontwikkelen. Anders gezegd: het type overheid: markt partnership functioneert niet.

Er zijn krachtige, zelfs overtuigende aanwijzingen dat dit ook inderdaad het geval is. Het World Economic Forum constateerde recent wat we eigenlijk al lang weten, namelijk dat Nederland op innovatiegebied achterblijft. Het WEF wijt dit aan gebrek aan samenwerking tussen onderwijs-, onderzoek-, kennisinstellingen en het bedrijfsleven… Een gebrek aan samenwerking. Zou dit misschien komen omdat iedereen in het publieke domein tegelijkertijd ook elkaars concurrent is? De Autoriteit Consument en Markt blokkeert nu het Energieakkoord. Competitie en samenwerking gaan kennelijk moeilijk samen. Maar een krachtig partnership – op basis van afspraken over samenwerking – van overheid en markt is juist nodig om de vergroening van de economie te stimuleren (> Planbureau voor de Leefomgeving). Economische ontwikkeling gaat over het vertrouwen van organisaties dat er een gemeenschappelijke basis voor ontwikkeling is, er moeten zekerheden zijn. Hier wringt de schoen.

Economie gaat natuurlijk (ook) over het vertrouwen van mensen. Maar de mensen hebben volgens het Sociaal Cultureel Planbureau weinig vertrouwen en waardering voor de marktwerking in de publieke sector, zoals de privatisering van staatsbedrijven als de PTT en de spoorwegen.
Het verband is duidelijk.
Nederland blijft zo een ouderwets exportland.

Misschien is er ook een verband tussen de publieke marktwerking en andere sociaal-culturele kenmerken, ons zwak ontwikkelde nationale bewustzijn en onze individuele koopmansgeest. Die hebben ons er in elk geval niet van weerhouden om een partijtje staatsbedrijven van de hand te doen.