Nationaal Zorgfonds bespaart 4,4 miljard per jaar en verlaagt CO2-footprint

update 6/11/2016 – De berekening van de besparingen op de overhead (2.25 miljard minimaal) is nu onderbouwd met internationaal wetenschappelijk onderzoek.

Een Nationaal Zorgfonds als nieuw op te richten Zelfstandige Bestuur Organisatie neemt de rol van Zorgregisseur op zich. Het zou een gigantische verbetering kunnen betekenen. Het is niet onaannemelijk dat de cure ruim 10% goedkoper kan zijn dan de huidige cure en een  betere zorgkwaliteit kan leveren, omdat samenwerkende zorgprofessionals geen eigen financiële belangen meer nastreven en de patiënt daardoor werkelijk centraal zullen kunnen stellen. Er is genoeg werkgelegenheid in de thuis-en ouderenzorg om het verlies aan banen door het opheffen van de zorgverzekeraars te kunnen compenseren. Ook worden door ICT-standaarden de mogelijkheden van e-Health beter benut en wordt een organisatorisch fundament gelegd voor een adaptief stelsel dat op technologische ontwikkelingen kan inspelen en ook voorwaarden daar aan kan stellen. Omdat zorgproductie niet meer centraal staat wordt doelmatiger omgegaan met beschikbare middelen, wat hoogstwaarschijnlijk een belangrijke bijdrage aan de klimaatdoelstelling kan opleveren. Een staatscommissie zou dit scenario moeten onderzoeken.
kostenbesparing-nzf-29102016

Toelichting 4,4 miljard jaarlijkse kostenbesparing Cure

De jaarlijkse kostenbesparing ten opzichte van het huidige stelsel wordt geraamd op ca. 4,4 miljard euro, dit is 10% van het macro-budget.

Het opgebouwde Eigen Vermogen bij de Zorgverzekeraars wordt afgezonderd (een Voorziening) voor de financiering van de transitie. De totale kostenbesparing komt er dan zo uit te zien. 

Directe kosten zorgverlening (80% van 45 miljard: 36 miljard):

• Minder vermijdbare heropnames: 45 miljoen
Berekend door het CPB in het rapport Zorgkeuzes in kaart, beleidsoptie 60: ‘Verminderen vermijdbare heropnames’. Zie hiervoor. Positief effect qua CO2-footprint.co2-footprint-19092016

• Substitutie eenvoudige 2e lijnszorg: 15 miljoen
Berekend door het CPB in het rapport Zorgkeuzes in kaart, beleidsoptie 51: ‘Substitutie eenvoudige tweedelijnszorg’. Zie hiervoor.

• Procesoptimalisatie door samenwerking en ICT-standaarden: 1.080 miljoen

Betreft de directe kosten: 80% van 45 miljard = 36 miljard. 3% Kostenbesparing door betere samenwerking tussen 1e, 2e en 3e lijn: 1.080 miljoen. Onderbouwing: 1. Prof. Gert Westert, Radboud UMC stelt dat 20% kostenbesparing in ziekenhuizen mogelijk is onder voorwaarden; 2. Argumentatie – Doordat (commercieël gedreven) concurrentie tussen zorginstellingen nagenoeg verdwijnt ontstaat een playing field voor optimale onderlinge samenwerking tussen zorgprofessionals; c. Argumentatie – ICT-standaarden helpen bij een effectieve en efficiënte informatie-uitwisseling, denk aan het EPD en persoonlijke en draagbare e-Health toepassingen (gezondheidsapp ’s  e.d.). De ICT-investeringskosten zullen aanzienlijk lager uitvallen. Het Rijk moet daartoe e-Standaarden opleggen. Het gaat hier in zijn totaliteit om een betere en functionelere inrichting van processen en organisaties in de medische zorg, het betreft alle primaire processen, de directe kosten. Schatting is waarschijnlijk nog te bescheiden.

co2-footprint-19092016

• Capaciteitsplanning: 85 miljoen
Berekend door het CPB in het rapport Zorgkeuzes in kaart, beleidsopties 41 en 42: ‘Capaciteitsregulering dure infrastructuur’ en ‘Capaciteitsplan spoedeisende hulp’. Zie hiervoor. Let wel, capaciteitsplanning is alleen goed mogelijk als er een centrale regisseur is, zoals een Nationaal ZorgFonds als een ZBO. De idee van concurrerende zorgverzekeraars sluit een capaciteitsplanning uit. Pure logica. Positief effect qua CO2-footprint.

Indirecte kosten zorgverlening (20% van 45 miljard: 9 miljard):     2,25 miljard

In 2014 berekende een internationale groep van gezondheidszorgexperts dat Nederland op de VS na de hoogste administratieve kosten bij ziekenhuizen heeft: 19,8%.  https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/25201663 We nemen het percentage van 20% over voor de gehele cure. De indirecte kosten kunnen structureel met 25% omlaag door lagere administratieve lasten in twee opzichten: 1. Vereenvoudiging van de financiering van zorginstellingen: 1.1. er is slechts een opdrachtgever, ipv. verschillende opdrachtgevers (Nationaal ZorgFonds ipv. verschillende zorgverzekeraars); 1.2. er komt per zorginstelling een lump-sum als ‘bestaansbudget’; 1.3. een betaling voor verrichte behandelingen (zgn. operating fund); 1.4 als gevolg hiervan ontstaat een veel simpeler administratieve organisatie bij alle zorginstellingen. 2. Vereenvoudiging van verplichte registraties en toelatingsvereisten (twee toezichthouders komen te vervallen: NZa en ACM). Een verlaging van de administratieve lastendruk met 25% komt overeen met een bedrag van    2,25 miljard. Dit bedrag kan nog hoger gaan uitvallen.

Beëindigen zorgverzekeraarsco2-footprint-19092016

• Beëindigen zorg bij overige zorgverzekeraars: 133 miljoen
Dit is 10% van de totale kostenbesparing bij de grote 4 Zorgverzekeraars die 90% van de zorgmarkt in handen hebben, een zuiver verhoudingsgetal.

• Afstoten zorgdeel Achmea: 344 miljoen
De totale formatie van de zorgdivisie van Achmea is niet bekend, omdat Zorg niet de enige verzekeringstak is. Uitgegaan is van een formatie van 2500 fte., dit is waarschijnlijk aan de lage kant. De gemiddelde kosten per formatie van VGZ/CG/Menzis zijn genomen om de totale bedrijfskosten van Achmea-Zorg te berekenen, dit leidt tot 334 miljoen (kosten/fte. * aantal fte.: 2500 * 133.699= 334,248 miljoen).

• Beëindigen VGZ, CZ en Menzis: totaal 996 miljoen
Deze drie grote zorgverzekeraars houden op te bestaan. Er gaat werkgelegenheid verloren, de kosten van een Sociaal Plan zijn niet meegenomen: onderdeel van de transitiekosten. Op basis van de geconsolideerde winst- en verliesrekeningen in de Jaarrekeningen van 2015 zijn de totaalbedragen genomen van de ‘Bedrijfskosten uit gewone bedrijfsvoering: acquisitiekosten, Beheers- en personeelskosten, afschrijvingen bedrijfsmiddelen’. Deze totalen zijn per zorgverzekeraar gedeeld op het aantal fte., dit geeft de kosten/fte. per zorgverzekeraar. De gemiddelde kosten/fte. zijn 133.699.

Beeindigen NZa

De Nationale Zorgautoriteit houdt op te bestaan. Omdat de gereguleerde marktwerking met onderlinge prijsconcurrentie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders wordt beëindigd, komen de markt-toezichthoudende taken te vervallen. De ACM heeft ook geen rol meer. Kostprijzen kunnen worden opgesteld door het NZF binnen budgettaire kaders van de rijksoverheid. Het opheffen van de NZa geeft een besparing van 47 miljoen op jaarbasis (Jaarrekening 2014, Exploitatierekening, totaal Baten en Lasten), de kosten van een Sociaal Plan zijn niet meegenomen: onderdeel van de transitiekosten.

Kosten NZF

Dit is een stelpost. De jaarlijkse kosten van de op te richten ZBO ‘Nationaal Zorgfonds’ en een aantal regionale uitvoeringskantoren wordt geraamd op 600 miljoen.

  • Kosten Nationaal ZorgFonds             -100 miljoen

Stelpost. De jaarlijkse kosten van de op te richten Rijksdienst ‘Nationaal ZorgFonds’ worden vooralsnog geraamd op 100 miljoen. Dit is voldoende voor een organisatie van 800 fte. Uitgangspunt is een slanke organisatie. Het takenpakket moet nader worden uitgewerkt en op basis daarvan moet een calculatie worden opgesteld.

  • Kosten regio’s             -500 miljoen

Stelpost. Eerst moeten de regio’s gedefinieerd worden. Uitgangspunt is een slanke regionale organisatie van verenigingen met een ondersteunend apparaat. Het takenpakket moet nader worden uitgewerkt en op basis daarvan moet een calculatie worden opgesteld.

Voorziening Transitiefonds

Het zorgkapitaal van de zorgverzekeraars.

 

Inkomen zorgverleners

Essentieel onderdeel van het Nationaal ZorgFonds-model is de betaling van zorgverleners (uitvoerende rechtspersonen). Het huidige betalingsmodel van de 1e lijn dat gebaseerd is op een abonnementstarief (Huisartsenmodel): een jaarlijks bedrag per inwoner/patiënt, aangevuld met een klein consulttarief werkt adequaat. De achterliggende gedachte, dat een vergoeding primair gebaseerd behoort te zijn op de beschikbaarheid (beschikbare capaciteit) van deskundige expertise die zorg kan verlenen indien nodig, aangevuld met een kleine vergoeding (‘prikkel’) voor daadwerkelijke geleverde zorg/verrichtingen, is een gezonde en werkbare gedachte. Daarbij moet er een bonus zijn voor bijzondere prestaties: innovatieve doorbraken, exceptionele kwaliteit (niet: zorgvolume!). Ik denk onder meer aan publicaties van emeritus-hoogleraar Guus Schrijvers (‘het capuccino-model’).

Het gaat met andere woorden om een uitwerking van een vorm van ‘Populatiebekostiging’.

 

De tien blunders van de zorgmarkt


de-tien-blunders-van-de-zorgmarkt-24112016

Open brief aan Erik Gerritsen

19 oktober 2016

Aan: de secretaris-generaal van het ministerie van VWS

Beste Erik,

Zorg is geen micro-economie, homo sapiens is geen homo economicus. De prijselasticiteit van zorg is flauwekul, transparantie is van beperkte betekenis. Zorg is geen markt van onderling concurrerende leveranciers en shoppende zorgconsumenten. Zorgverleners moeten de cliënt centraal stellen en hun bedrijfsvoering in de gaten houden, dat wel, maar dat maakt de zorg nog geen markt. Zorg vraagt om de vrijheid van diagnose, behandeling en evaluatie in samenspel met de patiënt en met deskundige vakgenoten, want geen zorgprofessional heeft de waarheid in pacht. De zorg vraagt om vrijheid in verbondenheid.

Zorg is wel macro-economie. In geld uitgedrukt meer dan een kwart van de gehele collectieve sector en zonder budgetplafond op termijn onbetaalbaar. De grootste verschaffer van werkgelegenheid met 1,2 miljoen banen. De zorg is belasting- en zorgpremie gefinancierd en kent daarnaast ook nog eigen bijdragen. De zorg is een kennisintensieve sector, die grote investeringen vergt en dus kapitaalverschaffing. Dat laatste kan op verschillende manieren, het kan binnen het ‘publieke financiële systeem’ worden geregeld. Hoogstwaarschijnlijk is dat goedkoper dan financiering door middel van de internationale kapitaalmarkten. Zorg ligt binnen het publieke domein.

De werkgelegenheid in de zorg is een belangrijk thema. Er is te veel zorgbureaucratie, het zorgstelsel van gereguleerde marktwerking leidt tot een enorme overhead. Logisch, want je kunt concurrentie en samenwerking niet in een mal persen. Tienduizenden, wellicht meer dan honderdduizend duurbetaalde controllers, juristen, ICT-ers, marketeers, consultants e.a. nemen een grote hap uit het beschikbare macro-budget. Er is daardoor minder geld beschikbaar voor de zorg zelf. Het gaat om vele miljarden. Maar het is óók werkgelegenheid, alleen niet het soort werkgelegenheid dat in de zorg centraal moet staan. Laten we dat dan ook gewoon uitspreken.

De zorg vereist op macroniveau een strakke en intelligente regie. Het lijkt erop dat die nu ontbreekt, of de schijn bedriegt. De planning van het noodzakelijke aanbod (vergeef me deze term) van het modern en hoogwaardig geheel van 1e, 1,5e, 2e en 3e-lijnszorg is omslachtig en gefragmenteerd.  Waarin wordt geïnvesteerd? Door wie? Op welke plek? Hoe zorgen we ervoor dat investeringen in medische technologie ook kunnen renderen?  Hoe maken we slim gebruik van de digitale mogelijkheden (eHealth) met inachtneming van privacy? Zeker, er worden stappen gezet. Maar wat kost het ongelofelijk veel tijd, energie en dus (zorg)geld. Terwijl alle ingrediënten aanwezig zijn om het goed aan te pakken. Op nationaal niveau kunnen we slim samenwerken, maar dan wel met vertegenwoordigers van zorgverleners en patiënten aan tafel. Immers, zij zijn de belichaming van de gezondheidszorg. Binnen een landelijke planning en verdeling ligt een regionale besturing, financiering, samenwerking en uitvoering voor de hand. Dit werkt goed in enkele Europese landen waar wij veel van kunnen leren.

Het brengt mij tot de kern: kennis. Kennis zit in de hoofden van artsen, verpleegkundigen en therapeuten, maar in de eerste plaats in de mens zelf die zich ziek voelt en na behandeling weer beter. Alles moet gericht zijn op het goede samenspel van patiënt en arts, de organisatie van de zorg en het bestuur zijn daaraan ondersteunend. Er zijn 34 medische specialismen, superspecialisatie is de norm en daarom draait het om samenwerking! Perverse prikkels zijn uit den boze. Kennis betekent ook de ruimte voor kennisontwikkeling en kennisoverdracht. Er moeten voldoende opleidingsplaatsen zijn en kunstmatige schaarste van specialismen moet worden bestreden. We richten de zorg in rondom zelfstandig samenwerkende zorgprofessionals en hun patiënten. Zij vormen ook het bestuur en zij kiezen vertegenwoordigers uit hun midden. Hun landelijk bestuur krijgt de rol van zorgregisseur. Natuurlijk binnen een verstandig stelsel van checks and balances (Gezondheidsraad, Zorginstituut, Inspectie GZ e.a.). En binnen politieke randvoorwaarden: de financiering (via de belastingen), het beschikbare zorgbudget en de regionale verdeling, het zorgpakket (welke zorg heeft iedereen recht op) en organisatorische afspraken, zoals de ICT. Dit is het publieke zorgdomein.

In de arts-patiënt relatie komt de zorg tot uiting. Ze is niet in een formule te vatten. Soms ligt kennis en beoordelingsvermogen geheel bij de patiënt zelf die ondraaglijk lijdt, soms ligt de kennis en het oordeel geheel bij de arts, het team van experts, zoals bij een hoog specialistische behandeling, waar perfecte techniek de uitvoering dicteert. Het impliceert de vrije artsenkeuze. Zorgverleners willen zich thuis kunnen voelen in de organisatie van hun zorg. De zorg kan alleen bottom-up gestalte krijgen, het leidt tot een prachtige variatie in de dynamische organisatie van het gehele zorgveld.

Kennis in het publieke domein is noodzakelijk om te kunnen beoordelen wat markten aanbieden. Welke medicijnen zijn goed en welke nieuwe behandeltechnieken passen we toe? Binnen de veilige omheining van het publieke kennisdomein en zonder persoonlijk belangen beoordelen experts over nut en noodzaak van innovaties.

Kennis in het publieke domein is ook noodzakelijk voor goede publieksvoorlichting en preventie. Er moet een deskundig en objectief tegenwicht zijn tegenover de medische wonderen die de markt belooft. De verleidingen zijn te groot en het wordt onbetaalbaar.

Het is volstrekt duidelijk dat onze zorg een publieke taak is. De markt ligt daarbuiten.

Als we het hierover eens zijn, dan moet het toch mogelijk zijn om met elkaar een excellent en toekomstbestendig zorgstelsel uit te werken?

Hartelijke groet,

Gijs

19/10 – reactie Erik Gerritsen: Had hem al gezien. Dank.

21/10 – reactie opinie NRC: Hartelijk dank voor uw deskundige inzending. Voor nu geven we de voorkeur aan andere kwesties/artikelen. 

22/10 – reactie opinie Trouw: Hartelijk dank voor het opinieartikel dat u hebt aangeboden (…). We sturen uw mail door naar de collega’s van de zorgredactie zodat ze kennis kunnen nemen van uw analyse.

3. Ons zorgverzekeringsstelsel is ondoelmatig

De OESO-tabel: OECD.Stat > Health expenditure and financing > Curative and rehabilitative care stelt ons in staat om tot een precieze berekening te komen van de kostenontwikkeling van de curatieve zorg (i.c. de Zorgverzekeringswet). De score van de 12 moderne Europese landen is berekend door het gemiddelde te nemen van de kostenontwikkeling over de periode 2006-2014 (%BNP) en het %BNP in 2014. Dit geeft een score van 1 t/m 12 op de horizontale (X, kosten) as (van Italie en UK zijn er geen longitudinale data). Het resultaat:

12-eu-qeneuro-cure-17102016Nogmaals de kwalitatieve scores:

19kpi-all-14-eu-06102016Het resultaat, grafisch weergegeven (doelmatigheidsindex):

12-eu-qeneuro-cure-17102016

 

Ten opzichte van de grafiek zonder Long-term care zijn de verschuivingen: Noorwegen, Zweden en Duitsland doen het beter, zij slagen er kennelijk in om de kostenontwikkeling in de cure te beheersen, terwijl Finland, Nederland en bovenal Denemarken het aanmerkelijk slechter doen in de cure.

Het Nederlandse zorgstelsel, gebaseerd op de verplichte zorgverzekering, is aantoonbaar een ondoelmatig zorgstelsel. Wie reageert op deze stelling? 

2. Nederland heeft een ondoelmatig zorgstelsel

update 13/9/2017 – Welkom lezers, u bent met tientallen aanwezig op deze en andere pagina’s. Alhoewel deze tekst bijna een jaar oud is, heeft ze niets aan betekenis ingeboet. Dat geldt voor het gehele feuilleton over de marktwerking in de curatieve zorg.

De verhouding tussen zorgprestaties (op geaggregeerd niveau) en macro-zorgkosten is wezenlijk om dichter bij een antwoord te komen op de vraag hoe goed een zorgstelsel van een land nu eigenlijk is. Er zijn twee niveau’s: het stelsel (macro) en concrete zorgverlening voor de patiënt (micro). De zorgprestaties liggen op het micro-niveau en daar zijn metingen van, net als de macro-kosten (ik baseer mij op de OESO, een onomstreden internationale bron).

De pijlers waar ons zorgstelsel op rust zijn, naast zorgkwaliteit: toegankelijkheid, betaalbaarheid (macro en micro) en solidariteit. Deze drie pijlers staan zwaar onder druk. De kwaliteit van de gezondheidszorg in zijn geheel wordt verder bepaald door contextvariabelen als de geografie van een land en het klimaat, rook-, drink- en eetgewoonten, culturele tradities, sociaaleconomische omstandigheden etc.

Internationale vergelijking van landen

In de hier gepresenteerde internationale vergelijking gaat het dus om de macro-kosten versus de micro-zorgprestaties in medische zin. De andere pijlers (naast de macro-zorgkosten) blijven buiten beschouwing. Daar zijn ook nauwelijks internationaal vergelijkbare gegevens van.

De vraag is: Wat zijn de medische zorgprestaties en hoeveel geld geven we in zijn totaliteit aan zorg uit? Er is natuurlijk een verband. Anders geformuleerd: Wat is de verhouding tussen prijs en prestaties? Hoe doet Nederland het qua prijs : prestaties in vergelijking met de 13 andere moderne Europese landen? (zie mijn vorige blog ‘Nederland heeft niet de beste zorg van Europa’). Dit is het tweede deel van mijn onderzoek.

De kosten-KPI’s zijn:

  • A0: % kostenontwikkeling BNP 2006-2014 (Wereld Bank)
  • A1: % uitgaven BNP (OESO, Wereld Bank) en
  • A2: uitgaven per hoofd vd bevolking (OESO, Wereld Bank)

Selectie van indicatoren van medische kwaliteit

Op basis van de online tabellen van OESO Health at a Glance is op basis van alle hoofdstukken (van Health Status t/m Ageing and long-term care) een selectie gemaakt van bruikbare kwaliteitsindicatoren, naast de in deel 1 al genoemde Life expectancy at birthNumber of Physicians en Perceived helath status/Self-reported health.

Daarbij is als volgt te werk gegaan:

  • uitsluitend selectie van indicatoren met data van alle 14 moderne EU-landen
  • selectie van indicatoren die daadwerkelijk iets zeggen over kwaliteit (mortalitycancer survivalavoidable hospital admissions )
  • Non-medical determinants of health zijn niet meegenomen
  • Het aantal Pharmacists and pharmacies is meegenomen als tweede indicator van de aanbodzijde: Health Suppliers
  • Organ donation is als aparte indicator meegenomen (geen OESO; http://public.tableau.com/views/BOTnet/OrganDonorMap?:showVizHome=no )

Aldus is een tabel samengesteld met 19 indicatoren, onderverdeeld in vier clusters: Absolute healthHealth SuppliersHealth Status en Quality of Care.

Opzet van de tabel

De OESO-tabel scores van de 14 landen zijn omgezet in punten: 1 punt voor het land met de beste score, 14 punten voor het land met de slechtste score. De scores op alle 19 indicatoren zijn opgeteld en gedeeld door 19, dit is de gemiddelde score per land. De gemiddelde score per land is vertaald naar de eindpositie: het land met de hoogste kwaliteit heeft de laagste score, het land met de laagste kwaliteit heeft de hoogste score.

19kpi-all-14-eu-06102016Doelmatigheid van de 14 Europese zorgstelsels

Nu er een gekwantificeerd beeld is van de kwaliteit van verschillende medische zorgprestaties is het mogelijk om een prijs : prestatie verhouding te kwantificeren. Op dezelfde wijze zijn de drie kosten-KPI’s omgezet in punten van 1 t/m 14. Het land met de hoogste uitgave aan zorg als % BNP krijgt 1 punt, het land met de laagste uitgave aan zorg als % BNP krijgt 14 punten. De scores op de 3 KPI’s zijn opgeteld en gedeeld door 3, dit is opnieuw de gemiddelde score per land.

Als de medische zorg in alle landen even doelmatig georganiseerd is zijn de kosten en de prestaties recht evenredig, dan geldt: X=Y. Het land met de beste medische zorg (1 punt) geeft het meeste geld uit aan zorg (1 punt). Het land met de slechtste medische zorg (14 punten), geeft het minste geld uit aan zorg (14 punten). Maar de werkelijkheid is anders, er zijn landen die veel medische zorgkwaliteit leveren voor het geld en er zijn landen die weinig medische zorgkwaliteit leveren voor het geld. Dit wordt grafisch weergegeven met een ‘landenwolk’ (puntenwolk) rondom de diagonaal X (Kosten) = Y (Zorgkwaliteit).

De twee score-reeksen van 1 t/m 14 zijn gelijkmatig verdeeld over de twee assen. Het land dat verticaal aan de top staat (Zwitserland) heeft de beste zorgkwaliteit, het land dat horizontaal het meest naar rechts staat (Zweden) heeft de hoogste zorgkosten. De landenwolk geeft een beeld van de relatieve positie van de 14 landen ten opzichte van elkaar. Dit is de landenwolk:

q-en-euro-14-eu-schema-oeso-website-a-07102016

 

Zonder Long-term care (ouderenzorg)

De hoge zorgkosten van Nederland zijn voor een deel het gevolg van de hoge uitgaven aan Long-term care (oa. de ouderenzorg). Er is dus een reden om een variant van de landenwolk te maken zonder de Long-term care. Noodgedwongen vallen dan twee landen af omdat er geen data zijn, Italië en Engeland. Bij de kosten-KPI’s is het aandeel van de Long-term care (%) afgetrokken (%BNP; per capita).

Het geeft een aantal horizontale verschuivingen op de X-as. Noorwegen, Zweden, België en Nederland worden goedkoper, Oostenrijk, Duitsland en vooral Frankrijk worden duurder. Spanje heeft kwalitatief de op een na beste zorg en de laagste kosten, daardoor steekt Spanje er met kop en schouders bovenuit. Zwitserland is de top, zowel qua kosten als kwaliteit van de zorg. Duitsland komt er het slechtste uit (zeer hoge kosten, zeer lage zorgkwaliteit).  Nederland heeft kwalitatief matige medische zorg en gemiddelde kosten. Nederland staat daardoor onder de diagonaal en hoort bij de vier landen met een ‘ondoelmatig’ zorgstelsel.

 

12-eu-2kostenkpi-ltc-11102016

 

Conclusie

De conclusie van de twee deelonderzoeken is dat de kwaliteit van de Nederlandse medische zorg onder het gemiddelde niveau van de 14 landen ligt en dat de kosten, niet gecorrigeerd voor de Long-term care, hoog zijn. Maar ook  als de Long-term care  eruit gehaald wordt blijft Nederland aan de verkeerde kant van de diagonaal (12 landen). Het bevestigt het beeld dat het Nederlandse zorgstelsel van gereguleerde marktwerking een ondoelmatig zorgstelsel is.

Nederlanders betalen letterlijk en figuurlijk een hoge prijs voor een matige medische gezondheidszorg. Nederlanders krijgen geen waar voor hun geld. Het roept de grote vraag op, op welke inzichten deze (en andere officiële) publicaties van de overheid en de wetenschap gebaseerd zijn?

zorgbalans-2014-0-30092016  zorgbalans-2014-1-30092016   dscn2595k

Onze Levensverwachting: hoog of laag in Europees opzicht?!

97 views

28/9/2016 – Het RIVM is geattendeerd op deze berichtgeving

Volgens de overheid is de Levensverwachting van de Nederlandse man één van de hoogste in de EU en de Levensverwachting van de Nederlandse vrouw gemiddeld. (zie https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/levensverwachting/regionaal-internationaal/internationaal#node-levensverwachting-bij-geboorte-de-europese-unie ) 

download-manOver de levensverwachting van de man lezen we: “De levensverwachting bij geboorte voor Nederlandse mannen is één van de hoogste in de Europese Unie. De levensverwachting voor Nederlandse mannen is ongeveer twee jaar hoger dan het EU-gemiddelde. Het verschil tussen de oude en de nieuwe EU-landen is groot.” De cijfers kloppen uiteraard. De lezer wordt wel op het verkeerde been gezet. De 28 EU-landen bestaan voor de helft uit landen die sociaal-economisch minder ver ontwikkeld zijn dan de moderne helft. Nederland vergelijken met Bulgarije, Letland, Litouwen e.a. mag uiteraard, het wordt de lezer ook verteld, maar het krikt het gemiddelde aardig op. Twee landen ontbreken in de lijst, de niet-EU-landen Zwitserland en Noorwegen. In beide landen heeft de man een hogere levensverwachting dan de Nederlandse man. Als we die meerekenen dan komt de Nederlandse man met 79,5 jaar qua levensverwachting op een 9e plaats. Vanwaar: “Één van de hoogste”?

download-vrouwWe lezen over de levensverwachting van de vrouw: “De levensverwachting bij geboorte voor Nederlandse vrouwen is ongeveer gelijk aan het EU-gemiddelde. Nederlandse vrouwen doen het dus relatief slechter dan mannen in de EU.” De eerste zin is strikt genomen wel juist, maar tendentieus. Als we Zwitserland en Noorwegen meerekenen en we elimineren de onderste tien landen in de EU-rij (vanaf Tsjechië t/m Litouwen) en Malta en Cyprus dan hebben we in totaal 18 Europese landen waarbij alle ‘moderne’ landen.  De levensverwachting van de Nederlandse vrouw van 83,2 jaar staat dan op een gedeelde 13e plaats, ex aequo met België en Duitsland. Het gemiddelde van deze 18 landen is 83,94, afgerond 84 jaar. De levensverwachting van de Nederlandse vrouw ligt dus ver onder het gemiddelde van alle moderne Europese landen.

Van deze 18 landen is de gemiddelde levensverwachting van de man 79,04 jaar. De Nederlandse man wordt dus een half jaar ouder, dat leest toch anders dan “twee jaar hoger dan het EU-gemiddelde.”

Misschien dat er nog eens naar de berichtgeving op volksgezondheidenzorg.nl kan worden gekeken.

Nederland heeft niet de beste zorg van Europa

ca. 25.000 views all websites

update 11/12/2016 – De opeenvolgende publicaties over de gezondheidszorg in internationaal, Europees perspectief (1, 2, 3, 4) illustreren een onderzoeks- en denkproces. Met de grafiek rechts is dit proces (voorlopig) afgerond. Het vormt de basis van de grafiek in ESB 1/2017.kosten-kwaliteit-grafiek-30122016

update 8/10/2016 – Nu de verdieping van de kwaliteitsindicatoren is gemaakt, is het duidelijk geworden dat het beeld op basis van deze 6KPI’s voor enkele landen onvoldoende scherp is. Engeland en Oostenrijk scoren kwalitatief minder goed, Finland scoort aanzienlijk beter. Toch kan ook worden vastgesteld, dat de 6KPI’s als eerste vingeroefening een totaalbeeld geven dat overwegend ‘juist’ is. Het is als eerste stap een goede stap, een stap die vervolg moet krijgen. Zie hierna deel 2.

Gepubliceerd op skipr als https://www.skipr.nl/blogs/id2855-nederland-heeft-niet-de-beste-zorg-van-europa.html

6 Sleutelindicatoren van Kwaliteit en Kosten

De gezondheidszorg is de meest complexe sector in het publieke domein. Hoe goed is onze gezondheidszorg? Elke cijfermatige benadering heeft beperkingen. Om een nauwkeurig beeld te krijgen zouden wellicht enkele duizenden cijferreeksen moeten worden opgesteld. Maar hoe kan dit worden samengevat? Een schier onmogelijke taak. Toch is met enig gezond nadenken wel een indicator samen te stellen die met slechts enkele cijferreeksen/KPI’s een weliswaar zeer globaal maar toch inzichtelijk beeld geeft van de kwaliteit van gezondheidszorg-stelsels van landen . Deze indicator bevat de Kosten (Uitgaven) uitgesplitst naar het % van het BNP dat aan gezondheidszorg wordt uitgegeven en de ontwikkeling daarvan, plus de kosten per inwoner (per capita) en een drietal ‘Prestaties’: het aantal hoogopgeleide zorgverleners (aantal doctoren per 1000 inwoners) als indicator van de omvang van het zorgaanbod, de gemiddelde levensverwachting als ultieme menselijke gezondheidsindicator en de ‘persoonlijke gezondheidswaardering’ van mensen. Deze gegevens zijn voorhanden. Op basis van de online-databanken van de OECD (OESO) en de World Bank (Wereld Bank) is een tabel opgesteld van de 14 moderne Europese landen (ondergrens is een bevolkingsomvang van 5 miljoen inwoners) met 6 sleutelindicatoren (Key Performance Indcators) die in samenhang een samengesteld beeld geven van de kwaliteit van de gezondheidszorg in relatie tot de totale uitgaven per land. NB: De cijfers van de OESO en de Wereld Bank verschillen niet of nauwelijks op het gebied van de Kwaliteit (B, C, D), maar er zijn wel tussen beiden enkele opmerkelijke verschillen bij de Kosten-KPI’s. De 6 KPI’s zijn:

Kosten/Uitgaven

  • A0: % kostenontwikkeling BNP 2006-2014 (Wereld Bank)
  • A1: % uitgaven BNP (OESO, Wereld Bank) en
  • A2: uitgaven per hoofd vd bevolking (OESO, Wereld Bank)

Kwaliteit gezondheidszorg

  • B: Aantal doctoren per 1000 inwoners (OESO; Wereld Bank)
  • C: Levensverwachting vanaf geboorte (OESO; Wereld Bank)
  • D: Persoonlijke gezondheidswaardering (‘Self-reported health’ ) (OESO)Dezelfde reeks, maar nu met de gemiddelden van A1, A2, B en C (OECD en World Bank).6kpi-oecdenwb-08102016

6kpi-14-eu-gem-30092016

Duiding: Nederland in vergelijking met de andere

Uit de tabel blijkt dat Nederland in vergelijking met de andere 13 landen slecht presteert, het is zelfs het enige land dat op slechts één KPI boven het gemiddelde scoort. Kosten en Kwaliteit zijn omgekeerd gewaardeerd: Hoge kosten zijn in de beoordeling ‘negatief’, hoge kwaliteit is in de beoordeling ‘positief’. Op het niveau van de Uitgaven scoort Nederland volgens de OESO zeer negatief (gedeeld hoogste uitgaven als %BNP, op 2 na hoogste uitgaven per capita en op Zwitserland na het hoogste van alle landen); ook volgens de Wereld Bank zijn de Uitgaven van Nederland hoog en liggen ze duidelijk boven het Europees gemiddelde. Op Kwaliteitsniveau scoort Nederland op twee van de drie KPI’s negatief. Het aantal doctoren (artsen, geneesheren, medici) is bijzonder laag en de levensverwachting ligt onder het gemiddelde.  Alleen op de KPI Persoonlijke gezondheidswaardering scoort Nederland positief.

De grote Zuid-Europese landen Spanje en Italië komen (voorlopig) als beste naar voren

De landen die er het beste uitkomen zijn Spanje (1e) en Italië (2e). De grote Zuid-Europese landen slagen er kennelijk in om tegen lage kosten hoge zorgprestaties te realiseren. Spanje heeft veel doctoren, 4,35 per 1000 (na Oostenrijk het meeste), maar ook Italië scoort qua doctoren nog boven gemiddeld. De levensverwachting is in deze twee landen hoog: Spanjaarden hebben de hoogste levensverwachting, 83,15 jaar, Italië 82,75 jaar, Nederland scoort ondergemiddeld met slechts 81,35 jaar. Mogelijk spelen het zuidelijke klimaat en voedingsgewoonten een rol. Beide landen hebben een Nationale Gezondheidszorg, belasting gefinancierd, met een gedeeltelijk (ook politiek-democratisch) gedecentraliseerde organisatie van de uitvoering. Spanje (er zijn geen gegevens van Italië in de OECD-statistiek) geeft relatief weinig uit aan inpatient care (‘ziekenhuizen’, 25%; Nederland 32%) en relatief veel aan outpatient care (‘includes home-care and ancillary services’, 37%; Nederland 22%). Aan long-term care (‘ouderenzorg’) geeft Spanje 9% uit, Nederland 26%.

Samenvatting van de uitkomsten obv. de 6KPI’s

6-kpi-alle-14-29092016Meer over Spanje hier op dit blog: https://gijsvanloef.nl/2016/09/26/spanje-beste-gezondheidszorg-van-modern-europa/

Bronnen:

OECD, Health at a Glance 2015, online, links:

Health expenditure in relation to GDP:
http://www.oecd-ilibrary.org/social-issues-migration-health/health-at-a-glance-2015/health-expenditure-in-relation-to-gdp_health_glance-2015-60-en

Life expectancy at birth and Health spending per capita:
http://www.oecd-ilibrary.org/social-issues-migration-health/health-at-a-glance-2015/life-expectancy-at-birth-and-health-spending-per-capita-2013-or-latest-year_health_glance-2015-graph17-en

Physicians per 1000 people:
http://www.oecd-ilibrary.org/social-issues-migration-health/health-at-a-glance-2015/practising-doctors-per-1-000-population-2000-and-2013-or-nearest-year_health_glance-2015-graph47-en

Better Life Index, Self-reported health:
http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=BLI

World Bank online, links:

Health expenditure, total (% of GDP) en per capita:
http://data.worldbank.org/indicator/SH.XPD.TOTL.ZS?end=2014&start=2006
http://data.worldbank.org/indicator/SH.XPD.PCAP?end=2014&start=2006

Physicians per 1000 people:
http://data.worldbank.org/indicator/SH.MED.PHYS.ZS?end=2014&start=2006

Life expectancy at birth:
http://data.worldbank.org/indicator/SP.DYN.LE00.IN?end=2014&start=2006